Voorzitter : Marc Vervaecke

Secretaris : Louis De Vil

 
 
 

RAS

 
 

 

Oorspronkelijk komend uit de Catalaanse Pyreneeën verspreidde de Catalaanse herdershond zich over alle veeteeltgebieden van Catalonië, meestal in gebruik om de kudde te hoeden.

  1. Algemene verschijning en karakter

Een rustieke, levendige en intelligente hond met een trotse blik en een ongecompliceerd en innemend karakter. Erg trouw aan de herder en diens kudde. Gereserveerd tegenover vreemden. Een attent waker, goed bestand tegen warmte, kou en alle andere weersomstandigheden. Eenvoudig voedsel is voor deze hond voldoende om onder de meest extreme omstandigheden te kunnen werken.

Een goed geproportioneerde, middelgrote hond met goede hoekingen en een adequate vacht.

Iets langer dan hoog, ongeveer in verhouding 9:8.

Hoogte:

  1. 47 tot 55 cm voor de reuen
  2. 45 tot 53 cm voor de teven

Gebruik : bij het hoeden van de kudde komt dit ras wezenlijk tot zijn recht, niet alleen op bevel van de herder maar ook in staat om zelfstandig beslissingen te nemen, waarbij het opvalt met welk gemak de kudde wordt geleid. Geen enkel dier krijgt de kans zich van de anderen af te scheiden.Vanwege zijn onverschrokkenheid en durf ook gebruikt als waakhond.

Een uitstekende gezelschapshond door zijn grootte, vachtstruktuur en zijn grote trouw.

  1. Het hoofd

Algemeen beeld: krachtig, licht gewelfd met een brede basis zonder zwaar te zijn, goed in proportie met de rest van het lichaam. De verhouding tussen de schedel en de snuit is 4:3.

Het hoofd mag niet lijken op dat van de Pyreneese herdershond of van de Briard.

Schedel: de lengte van de schedel is iets groter dan de breedte. Er is een duidelijke stopgroef die vervlakt en eindigt in een duidelijke achterhoofdsknobbel. Het schedeldak is licht gewelfd. In het midden kan een kleine inzinking zichtbaar zijn. De oogkassen zijn goed ontwikkeld, vooral de beenderen op de plaats van de wenkbrauwen.

De stop van de neus is goed zichtbaar, maar niet al te geprononceerd.

Snuit: rechte, kegelvormige, wat korte snuit.

Neus:rechtlijnig en in verhouding met het hoofd. De neuspunt hoort zwart te zijn.

Lippen: stevig en strak. De onderlip mag niet uithangen. De lippen én het gehemelte horen zwart gepigmenteerd te zijn.

Gebit: een flink, wit en krachtig schaargebit.

Ogen: goed geopend, expressief met een levendige en intelligente blik. Rond van vorm, amberkleurig of donker. De oogleden moeten zwart gerand zijn.

Oren: hoog aangezet, beweeglijk, zacht en niet dik. De vorm is driehoekig en eindigt in een punt. Vlak hangend tegen het hoofd. De verhouding van breedte en lengte is 8:10. Het geheel is bedekt met lange haren met aan het eind een “franje”.

  1. Hals

 Krachtig en gespierd, iets kort met een hoge soepelheid in de beweging. Goed geplaatst tussen de schouders.

  1. Romp

Uiterlijk: iets lang, sterk gespierd, straalt kracht en lenigheid uit.

Schoft: duidelijk uitkomend

Rug: recht, niet opgetrokken, met een kruis dat óf iets hoger, óf gelijk, óf iets lager ligt dan de schofthoogte. Uiterlijk valt dit verschil niet op door de hoeveelheid haar op het kruis wat in het voordeel kan werken.

Kruis: robuust en gespierd, rustig afgerond.

Borst: breed, goed ontwikkeld, reikend tot aan de ellebogen. De ribben zijn boogvormig, niet vlak, zodat er voldoende longcapaciteit bereikt kan worden voor het werk.

Buik en flanken: buik licht opgetrokken met korte flanken, gespierd en goed begrensd.

  1. Staart

 Laag aangezet. Lang tot even over het spronggewricht óf kort (niet meer dan 10 cm). Ook staartloos komt voor.

In rust recht afhangend of in de vorm van een sabel. In beweging vrolijk opgeheven maar nooit de rug rakend.  Bedekt met overvloedig zacht golvend haar.

  1. Voorhand

 Uiterlijk: de voorbenen zijn krachtig, vlak en droog. Kaarsrecht zowel van voren als van opzij gezien.

De afstand van de elleboog tot aan de schoft is ongeveer gelijk aan de afstand van de elleboog tot aan de grond.

Schouder: krachtig gespierd en schuinsaflopend.

Bovenarm: stevig en gespierd met aan elkaar evenwijdig lopende ellebogen, welke goed aangesloten moeten liggen, noch te los, noch te vast.

De hoek die het schouderblad met de bovenarm maakt is ongeveer 110°.

Onderarm: recht en stevig. De hoek van onder- en bovenarm is ongeveer 135°. De handwortel ligt in het verlengde van de onderarm. De lengte ervan is korter dan de onderarm.

Voeten: ovaal met harde zwarte zolen. De huid tussen de tenen goed zichtbaar en bedekt met veel haar. Nagels zwart en sterk.

  1. Achterhand

 Uiterlijk: sterk, gespierd en goed gehoekt. Het geheel drukt kracht en lenigheid uit.

Bovenbeen: lang, breed en gespierd met sterke botten. De hoek van het kruisbeen en bovenbeen is ongeveer 115°.

Knie: bottig en sterk gespierd. De hoek van bovenbeen en onderbeen is ongeveer 120°.

Spronggewricht: tamelijk laag geplaatst. Evenwijdig aan elkaar lopend en duidelijk begrensd. De hoek ten hoogste 140°.

Middenvoet: tamelijk kort, stevig en recht op de grond.

Voeten: gelijk aan de voorste, achter evenwel met een dubbele Sint-Hubertusklauw voorzien van bot. Deze zijn laag aangezet en met elkaar én met de eerste teen van de voet door middel van een dunne huid verbonden.

  1. Gangwerk

 Vloeiend wat typerend is voor herdershonden. Omdat men de galop alleen in grote ruimten kan laten zien, is in de ring de korte herdersdraf de gewoonte.

  1. Vacht

Tamelijk dik, dicht ingepland en goed gepigmenteerd.

  1. Beharing

Lang, sluik met weinig krul. Droog, niet zijdeachtig. Overvloedige bovenvacht vooral op het achterste deel van het achterlijf.

Het hoofd voorzien van haren die de baard, de snor en de wenkbrauwen vormen, welke laatste toch de ogen laten zien.

Staart en poten goed behaard.

De rui geschiedt in twee gedeelten: eerst het voorste deel van de hond, waarbij men de indruk krijgt dat het om twee halve honden met verschillend haar gaat. Daarna het achterste gedeelte, waardoor weer één geheel ontstaat.

  1. Kleur

Van verre lijkt de hond eenkleurig met lichtere ledematen. Nader bekeken blijkt de kleur te bestaan uit verschillende tinten: roestbruin, roodbruin, zandkleur, grijs, wit en zwart. De vachtkleuren als resultaat van deze mengeling zijn: licht-, middel- en donker roestbruin; licht-, middel- en donker zandkleur vermengd met donkere en lichte haren; grijs gevormd door witte, grijze en zwarte haren met tinten van zilvergrijs tot zwartgrijs. Als zwart de overhand heeft en dit gecombineerd is met witte haren, ontstaat een soort zwart met zilverkleur er door heen. Ook black en tan exemplaren komen voor.

Zwarte of witte aftekening is niet toegestaan. Wat wit op de haar op de borst of op de tenen (niet tesamen met een witte nagel) wordt geaccepteerd.

  1. Gebreken

Ernstige gebreken zijn: plomp hoofd, geen stopgroef, rozenoor, slecht aangezet oor met grof kraakbeen. Oren te lang of te ver uit elkaar staand. Licht oog. Het ontbreken van twee premolaren. Licht ondervoor- of bovenoverbijtend. Opgetrokken ruggengraat. Naar buiten gedraaide ledematen. Eén witte nagel. Het ontbreken van het botje in de Sint-Hubertusklauwen of het ontbreken van één der Sint-Hubertusklauwen.

 Diskwalificatie: het ontbreken van pigment in de lippen, neus, oogranden of gehemelte. Bruine neus, blauwe ogen, witte aftekeningen. Het ontbreken van meer dan twee premolaren of van twee snijtanden. Kruisstaart. Geen Sint-Hubertusklauwen of het ontbreken van de huid tussen de tenen. Alle nagels wit.

 Meer dan 3 cm boven de maximummaat of meer dan drie cm onder de minimumhoogte.

 Het hoofd gelijkend op dat van de Pyreneese herdershond of dat van de Briard.

Erg ondervoor- of bovenoverbijtend.

Monorchide of cryptorchide reuen.

Opmerkingen: In Spanje worden bij de honden die de kudde hoeden de oren en staart gecoupeerd. Zelfs de hoektanden worden afgeknipt om bijtwonden bij de dieren te voorkomen. Op tentoonstellingen zal bij gelijke schoonheid de voorkeur gegeven worden aan die honden die niet onder deze verminking hebben geleden.

Alleen als men kan aantonen dat het werkende honden zijn, worden gecoupeerde honden gekeurd.

Het behoud van de kleur is gewenst. De goed gepigmenteerde kleuren moeten op prijs gesteld worden.De testikels moeten goed ontwikkeld zijn en in de balzak hangen.